Stage

Introductie

De toeleiding naar arbeid en/of arbeidsmatige dagbesteding is een van de primaire doelstellingen van het Linie College. Daarom is het van groot belang het ontwikkelingsniveau van de competenties van de leerlingen goed in beeld te krijgen: welke competenties beheerst de leerling al, in welke mate worden deze beheerst en welke competenties moeten nog (verder) ontwikkeld worden?

We vinden het heel belangrijk voor de ontplooiing van onze leerlingen dat ze ervaring opdoen in de praktijksituatie. Om hiertoe een zo groot mogelijke kans van slagen te realiseren, hebben we gekozen voor een opbouw vanuit de veilige situatie binnen de eigen school naar een werkplek buiten de school.

Eerst lopen de leerlingen interne stage, gevolgd door externe stage. Soms loopt een leerling als tussenvorm ook nog groepsstage. Stagegeschiktheid van de leerling is een voorname succesfactor voor de arbeid voorbereidende stages. Door het volgen van hoogwaardige schoolinterne stages en/of arbeidstraining kan de leerling zich voorbereiden op bedrijfsstages in de volgende fase. De leerling wordt steeds meer “stagegeschikt”.  Ook goede informatievoorziening en assessments dragen hieraan bij.

Assessment

Om vast te stellen of de leerlingen stagerijp zijn, nemen we het stage-assessment Siabo af.
In februari nemen we bij alle leerlingen van de brugklas deze test af. Bij leerlingen die in leerroute C/D zitten, wordt individueel bekeken wie hiervoor in aanmerking komen.
Voor en tijdens de interne stage wordt bij de leerlingen die hiervoor in aanmerking komen voor de tweede keer de Siabo afgenomen.

Het assessment bestaat uit de volgende onderdelen:

     I.   “Sterk In Werk Interesse Test” (SIWIT):
           bij deze test wordt gekeken naar de werkplekken waar de leerlingen stage zouden willen
           lopen.

      II. SIABO:
          bij deze test wordt gekeken naar de ontwikkeling van de
·         arbeidsvaardigheden
·         zelfstandigheid (mede t.a.v. het reizen)
·         sociale vaardigheden
·         motivatie
·         werkhouding
·         fysieke gesteldheid (kan de leerling een hele werkdag aan?)

De assessoren (dit zijn de stagedocenten) bespreken de uitslag van het onderzoek met de mentoren en bepalen aan de hand van de uitslagen op welk niveau en in welke richting een stageplek gezocht moet worden. De mentor/stagedocent stelt de ouders hiervan op de hoogte.

Er wordt rekening gehouden met de volgende kwalificaties:
-       cognitieve aspecten
-       sociale aspecten
-       psychomotorische aspecten
-       communicatieve aspecten
-       aspecten t.a.v. de uitvoering

Interne stage

Wanneer de leerling vijftien jaar oud is, gaat hij of zij interne stage lopen. Vanuit een vertrouwde 
schoolsituatie kan de leerling ervaringen opdoen die nodig zijn om later stage buiten de school te gaan lopen. In deze periode willen wij een goed beeld krijgen van de leerlingen en hun competenties in een geheel andere setting. Zo kunnen we hen goed voorbereiden op arbeidstraining of groeps-/externe 
stage.

We kijken naar de volgende competenties:
- sociale competenties
- communicatieve competenties
- cognitieve competenties
- werkcompetenties
- competenties m.b.t. het zelfbeeld.

De leerlingen krijgen een interne stagemap, waarin de leerdoelen van de leerlijn “Leren leren” staan, waaraan gewerkt wordt. Deze leerdoelen noemen we in het vervolg “competenties”.
Naar aanleiding van de ontwikkelde competenties, het assessment, en in overleg met de ouders/verzorgers en de leerling wordt, als de leerling 16 jaar oud is, een externe stageplek gezocht.
Dit kan een groepsstage of een individuele stage zijn.

Externe stage

Stagetijd is onderwijstijd. De zorg en begeleiding op school en op stage moet zoveel mogelijk op elkaar betrokken zijn. De samenhang tussen leren op stage en leren op school – en de daarvoor nodige coördinatie – moet door de schoolorganisatie worden gewaarborgd. Na intensief overleg tussen leerling, ouders, mentor en stagedocent, legt de stagedocent contact met een stagebedrijf voor de leerling. Daarna vindt er met de leerling, de stagedocent en de stagebegeleider van de desbetreffende stageplek een kennismakingsgesprek plaats.

Tijdens dit gesprek worden afspraken gemaakt over de competenties waaraan gewerkt moet worden en over de mogelijkheden en beperkingen van de leerling. Ook wordt voor de leerling tijdens dit gesprek duidelijk wie de begeleider is, op welke tijd de leerling aanwezig moet zijn en wat er van hem/haar wordt verwacht.

De stagedocent komt minimaal eens in de vier weken op bezoek en bespreekt tijdens het gesprek de 
competentieontwikkeling en verdere bijzonderheden.

Er zijn regelmatig overlegmomenten tussen de stagedocent en de mentor. De mentor plant momenten waarop met de leerling over competenties op de stageplek wordt gesproken.

Aan het eind van de stageperiode hebben de stagedocent, de leerling en de stagebegeleider van het stagebedrijf een evaluatiegesprek, wordt het evaluatieformulier ingevuld en wordt er een stagerapport geschreven.

Medio februari is er een, eventuele, wisseling van stagebedrijf. De ouders worden dan door de stagedocent geïnformeerd over de afgelopen periode en de behaalde competenties en er wordt gesproken over de nieuwe stageplek.

De stagedocent is aanwezig bij de leerlingbespreking en bij het laatste oudergesprek over het handelingsplan. 
Bij dit handelingsplan wordt het competentieformulier gevoegd, waarop de competenties staan, waaraan de leerling het jaar daarop tijdens de stage gaat werken. Afhankelijk van de competentieontwikkeling en de hulpvraag van de leerling worden de stagedagen verder uitgebreid.

Groepsstage

Het kan zijn dat een leerling wel buiten de school kan gaan stagelopen, maar nog veel begeleiding nodig 
heeft of nog aan een aantal competenties moet werken. Een leerling gaat dan op groepsstage.

Samen met een stagebegeleider gaat een aantal (4 à 5) leerlingen aan het werk op verschillende locaties. Wanneer een leerling voldoende competenties heeft ontwikkeld kan de leerling individuele, externe stage gaan lopen.


Uitstroom

Wij kennen binnen ons VSO twee uitstroomprofielen:
1. uitstroomprofiel Arbeid
2. uitstroomprofiel Dagbesteding

- Uitstroomprofiel Arbeid

Arbeid is aan de orde wanneer wordt ingeschat dat de leerling wel toeleidbaar is naar betaalde arbeid op de 
(regionale) arbeidsmarkt, maar niet in staat zal zijn een diploma te behalen.

Deze inschatting zal doorgaans worden gebaseerd op gegevens over intelligentie, schoolvorderingen, stage, 
motivatie, beschermende en belemmerende factoren.

Uitstroomprofiel Arbeid is onderverdeeld in
- arbeid in een regulier bedrijf, in combinatie met landelijk erkend(e) certificaat/certificaten;
- arbeid in een regulier bedrijf, zonder certificaten;
- (beschermde) arbeid in sociale werkvoorziening;
- (begeleide) arbeid: loonvormende arbeid al dan niet met loondispensatie en/of jobcoaching;
- beschutte arbeid: loonvormende arbeid in een beschutte omgeving (sociale werkvoorziening). Voor beschutte arbeid is een WSW-indicatie noodzakelijk.

- Uitstroom profiel Dagbesteding

Dagbesteding is aan de orde wanneer de inschatting is dat leerlingen mogelijk wel arbeidsmatige activiteiten kunnen verrichten, maar deze niet loonvormend zullen zijn. Zulke activiteiten vinden plaats in centra voor dagbesteding. Het verschil met het uitstroomprofiel Arbeid zit vooral hierin, dat in de arbeidsmatige dagbesteding minder of geen eisen worden gesteld met betrekking tot zelfstandig en verantwoordelijk functioneren, redzaamheid en arbeidscompetenties. Ook kan er in instellingen voor zeer intensieve ondersteuning worden geboden. De doelgroep in dit uitstroomprofiel is zeer divers. Een deel van de leerlingen kan wel met ondersteuning en begeleiding werkzaamheden verrichten, maar dus niet in een gebruikelijke arbeidsverhouding.

Bij andere leerlingen zijn hun mogelijkheden en beperkingen dusdanig dat andersoortige activiteiten 
aangewezen zijn. Bovendien is er in dit uitstroomprofiel geen ondergrens in het niveau van de leerlingen. 
Gezien het recht op onderwijs voor iedereen zijn in dit uitstroomprofiel ook leerlingen met een IQ < 35 te vinden. 

Uitstroomprofiel dagbesteding is onderverdeeld in
- arbeidsmatige dagbesteding;
- taak- of activiteitsgerichte dagbesteding;
- belevingsgerichte dagbesteding.

 

Deze uitstroomprofielen zijn gekoppeld aan de ontwikkelingsniveaus van de leerlingen.
Het uitstroomprofiel wordt vastgesteld op grond van het leerlingvolgsysteem dat gekoppeld is aan kerndoelen en leerlijnen. Vooral de leergebiedoverstijgende doelen spelen een belangrijke rol bij het vaststellen van het uitstroomprofiel. Daarnaast speelt de ondersteuningsbehoefte van de leerling op de passende arbeidsplaats of dagbesteding een grote rol. Om gebruik te kunnen maken van het aanbod van een dagbestedingsaanbieder is een CIZ-indicatie noodzakelijk.

Einde schoolloopbaan

Voor zeer moeilijk lerende jongeren en meervoudig gehandicapte kinderen is een startkwalificatie niet altijd haalbaar. Zij mogen een programma op hun eigen niveau doorlopen en zijn daarom vrijgesteld van de kwalificatieplicht. Het Linie College moet wettelijk de leerling uitschrijven op de laatste schooldag van het jaar waarin ze de leerling 20 jaar is geworden. Het moment van het beëindigen van de schoolloopbaan tussen 16 en 20 jaar is afhankelijk van het toekomstperspectief van de leerling. De school adviseert de ouders en leerling hierbij. 

Mocht het noodzakelijk zijn (kans op een baan) dat de leerling onderwijs op het VSO na het schooljaar 
waarin de leerling 20 jaar is geworden blijft volgen, wordt er bij de inspectie in uitzonderlijke gevallen 
dispensatie gevraagd. Als deze wordt toegekend (max. 1 jaar) blijft de leerling ingeschreven.
deze website is gerealiseerd door schoolwapps.nl